04-02-2026

Buste Javaanse vrouw - Mendes da Costa

Kunstmuseum Den Haag organiseert vanaf september 2026 een onderzoekstentoonstelling waarin de recente aangekochte Buste van een Javaanse vrouw (1898) centraal staat. Deze keramische sculptuur, vervaardigd door de bekende Nederlandse beeldhouwer Joseph Mendes da Costa (1863–1939), is een portret van een Javaanse vrouw met vooralsnog onbekende identiteit. De vrouw was destijds tentoongesteld op het terrein van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (1898), die plaats vond op de hoek van de Stadhouderslaan en de Scheveningseweg in Den Haag, op loopafstand van het Kunstmuseum.

Naast het gebouw van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid werd een omheind ‘dorp ’ingericht: Kampong Insulinde. Deze zogenoemde ‘kampong’ bestond uit gereconstrueerde gebouwen uit verschillende delen van Nederlands-Indië en werd bevolkt door een groep van 37 mensen uit Solo, Midden-Java. Gedurende de hele zomer van 1898 werden zij dagelijks door duizenden bezoekers bekeken. ‘Kampong Insulinde’ was een human zoo; een praktijk die na de afschaffing van de slavernij aan het einde van de negentiende eeuw honderden groepen mensen uit gekoloniseerde gebieden - waaronder Suriname, Indonesië en delen van Afrika - naar Nederland haalde om hen tentoon te stellen aan een wit publiek. De ‘inwoners’ werden in een geënsceneerde leefomgeving getoond, waar zij in traditionele kleding geacht waren dagelijks werkzaamheden, rituelen en culturele voorstellingen uit te voeren. Human zoos kunnen zo begrepen worden als mensenhandel avant la lettre: een koloniale industrie in Europa die onder het mom van wetenschap en imperialisme de ontmenselijking en exploitatie van mensen uit gekoloniseerde gebieden normaliseerde en kapitaliseerde.

De Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid werd in de zomer van 1898 georganiseerd in het kader van de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Het doel van deze tentoonstelling was om de arbeid van vrouwen in Nederland op grote schaal zichtbaar te maken. De representatie van Nederlands-Indië was daarbij eveneens van belang. Een deel van de organisatrices had kennis gemaakt met de ‘kampong’ op andere tentoonstellingen in Europa en de Verenigde Staten. De lijnen waren kort en de commissie Oost-Indië van het Haagse tentoonstellingsbestuur kreeg

onafhankelijke zeggenschap. Kampong Insulinde werd bedacht als een ‘exotisch spektakel‘. Een carnavaleske vertoning te midden van een feministische onderneming, die in het kader van vrouwen-emancipatie vooral bijdroeg aan de tentoonstellingsinkomsten. De Javaanse mensen hadden reeds een jaar door Europa getrokken onder begeleiding van de Belgische exploitant J.H. Bernard, en waren al in meerdere Europese steden te bezichtigen geweest.

Joseph Mendes da Costa en de buste

Beeldhouwer Joseph Mendes da Costa was gedurende deze zomermaanden in Den Haag aanwezig, om studies te maken van de aanwezige Javaanse mensen. Hij had opdracht gekregen voor het realiseren van een grafmonument voor de overleden ‘Indoloog’ Pieter Johannes Veth, een monument dat volgens vrienden en familie van Veth eer moest bewijzen aan diens liefde voor Nederlands-Indië. Veth was samen met zoon Daniël Veth verantwoordelijk geweest voor de afdeling Nederlands-Indië op de Internationale Koloniale Uitvoerhandeltentoonstelling in Amsterdam in 1883, waar eveneens een ‘kampong’ te bezichtigen was geweest. Voor het monument dat in april 1899 op begraafplaats de Essenhof in Dordrecht werd onthuld, realiseerde Mendes een allegorische vrouwfiguur dat de titel ‘Insulinde’ kreeg. De Javaanse vrouw die Mendes in de zomer van 1898 in Den Haag portretteerde heeft naar alle waarschijnlijkheid model gestaan voor dit monument.

Historische en ethische context van de tentoonstelling

De onderzoekstentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag staat stil bij ‘Kampong Insulinde’ op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en geeft vanuit een hedendaags perspectief een historische duiding aan deze human zoo. Het museum heeft Iris Tjoa, expert op het gebied van human zoos uitgenodigd als curator. Zij doet al jaren onderzoek naar ‘Kampong Insulinde’ en zal haar onderzoek naar de identiteit van de Javaanse vrouw in samenwerking met het Kunstmuseum vervolgen.

Tegelijkertijd staat de tentoonstelling stil bij het ethische vraagstuk gerelateerd aan de presentatie van dit object: hoe stellen we vandaag de dag objecten tentoon, met een koloniale voorgeschiedenis? Via de buste, alsook aan de hand van andere onderdelen uit de collectie m.b.t. de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en/of objecten uit onze verzameling uit Indonesië, vormt de tentoonstelling een kritische bevraging van ons erfgoed, Middels deze tentoonstelling wil het museum het gesprek met een breed publiek aangaan over onbekend stukje Haagse geschiedenis. Om deze kennisdeling te stimuleren organiseert het museum dit voorjaar een kennisdag voor experts voorafgaande aan de tentoonstelling, alsook lezingen en publieksprogramma’s gedurende de expositie.

Herkomstonderzoek

Voorafgaand aan de verwerving van het werk deed het museum uitvoerig onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van de buste, die gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog in bezit was van de Joodse familie Tas. Het museum staat in goed contact met nazaten uit deze familie, en beraamt zich nog op de juiste vorm om deze resultaten te presenteren.