Modeprenten 1850-1859

Het groeiende aantal modetijdschriften bracht steeds meer samenwerkverbanden. Zo gaan verschillende tijdschriften in elkaar op, terwijl anderen onder dezelfde naam doorgaan maar wel vanaf één adres werken. Om te voorkomen dat er prenten werden gekopieerd zonder toestemming, besloten enkele tijdschriften om modeprenten op legale wijze over te laten nemen. Zo nam het Belgische Journal des Dames et des Demoiselles (vanaf 1852) modeprenten over van de Franse Moniteur de la Mode (vanaf 1843). Dit verklaart waarom er in de collectie dezelfde prenten zitten waarop de naam van een ander tijdschrift staat.

Rond het midden van de eeuw verschuift het karakter van veel modetijdschriften van bladen die slechts de laatste mode tonen naar tijdschriften die zich ook tot de huisvrouw richten en haar praktische tips en vooral ook patronen bieden. Mode wordt steeds toegankelijker, zeker wanneer naaimachines vanaf het midden van de 19e eeuw beter betaalbaar worden. Ook richten de modetijdschriften zich niet langer voornamelijk op vrouwenmode maar veel meer op het gezin.

De groeiende vraag naar modetijdschriften maakte het de uitgevers lastig. Er ging heel wat werk in het vervaardigen van modeprenten: er werden modellen aangekleed in de laatste mode die vervolgens getekend werden. Deze tekeningen werden dan gegraveerd waarna ze in grote getalen gedrukt konden worden. Hierna werden ze allemaal met de hand ingekleurd.  

In Kunstmuseum Den Haag wordt de collectie ‘losse’ modeprenten bewaard; de collectie gebonden modeprenten is te raadplegen via de leeszaal Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, onze samenwerkingspartner.

Bekijk alles onder Modeprenten 1850-1859