Het magische moment – over de connectie tussen fotograaf en geportretteerde

Het portret is al zo lang de fotografie bestaat een van de belangrijkste fotografische genres. Dat is niet zo vreemd: de mens wordt graag gezien en kijkt graag naar zichzelf, zoals onze huidige selfie-cultuur bewijst. Vaak wordt nog wel gedacht dat een foto waarheidsgetrouw is en daarom meer recht doet aan de geportretteerde dan een geschilderd portret. Over een schilderij zeggen we snel “het lijkt goed”, terwijl een foto een werkelijke representatie van de persoon in kwestie zou zijn. Niets is minder waar. De fotograaf bepaalt hoe wij naar de geportretteerde kijken. Maar wat maakt een fotoportret sterk? Natuurlijk is techniek een factor: welke camera kiest de fotograaf, hoe gaat hij of zij om met licht en scherpte, hoe wordt de foto afgedrukt – en getoond. Met een eigen signatuur in vorm, compositie en onderwerp weet een talentvolle fotograaf zich te onderscheiden. Maar wat zeker zo belangrijk is, is de manier waarop een fotograaf met het model omgaat; het menselijke contact tussen hen, met empathie en respect. Wanneer er een connectie ontstaat tussen fotograaf en de persoon voor de camera, hoe kort ook, ontstaat er iets magisch. En dat is terug te zien in de foto.

Anton Corbijn, een van Nederlands meest beroemde fotografen, heeft in de jaren 70 leren fotograferen in de praktijk: mee met een muziekjournalist naar een bandje en twee minuten de tijd krijgen voor een foto. Hij werkt nog steeds snel en intuïtief. Corbijn is geen klassieke portretfotograaf die niets aan het toeval overlaat en werkt niet in een studio waar hij licht en achtergrond naar zijn hand kan zetten. Hij is flexibel en past zich aan alle omstandigheden aan. Sterker nog: hij maakt gebruik van de beperkingen die er ter plekke zijn. “De kracht van mijn werk ligt erin dat ik heel open ben naar mensen toe en dat ik me heel snel aan kan passen aan situaties en daar visueel gebruik van kan maken”, zo zegt hij. “Ik heb ook geen zin om 200 films te schieten, want dan verlies ik mijn focus en ongetwijfeld degene aan de andere kant van de camera ook”.


Anton Corbijn (1955), Isabelle Huppert, 2007, Lithprint, collectie Kunstmuseum Den Haag.

Anton Corbijn heeft een onmiskenbare signatuur: meestal in zwart-wit met een hoog contrast en grove korrel. Ook de imperfectie die ontstaat doordat hij veel aan het toeval overlaat, maken zijn foto’s tot een typische Corbijn. Maar in de fase die daarna komt is hij een perfectionist, die bij het afdrukken net zo lang doorgaat tot hij het diepste zwart heeft bereikt zonder dat het dichtloopt. Die controledrang bij de afwerking vormt geen enkele belemmering voor het contact tussen de fotograaf en de persoon voor de camera: “Hoewel ik ontzettend serieus ben over mijn werk, zijn de omstandigheden waarin ik fotografeer niet altijd zo zwaar. Ik denk dat er niet zo heel veel mensen terug zouden blijven komen naar mij als ik in de omgang net zo serieus ben als ik over het werk zelf ben. Dus je ziet dat er in mijn foto’s ook wel losheid zit.” Die losheid zien we ook terug in het portret van Isabelle Huppert dat Corbijn in opdracht van Fotomuseum Den Haag maakte. Hij toont de wereldberoemde Franse actrice niet in volle glamour, maar krijgt het voor elkaar dat zij zich laat vastleggen in de Scheveningse duinen, liggend tussen het weerbarstige helmgras.


Robin de Puy (1986), An-Sofie Kesteleyn, 2013, pigmentdruk, collectie Kunstmuseum Den Haag.

 

Robin de Puy is gevoelig - “heel gevoelig”, zegt ze. Misschien maakt dat haar juist tot zo’n goede portretfotograaf. In 2013 fotografeerde ze haar collega An Sofie Kesteleyn, die op dat moment ernstig ziek was, voor een wetenschapsbijlage van de Volkskrant over kanker. Kesteleyn had lang getwijfeld of ze geportretteerd wilde worden in een katern over haar ziekte. Ook De Puy was zenuwachtig, niet alleen omdat het altijd spannender is om een collega-fotograaf te portretteren, maar ook omdat ze erin wilde slagen vooral de mens te fotograferen, niet de ziekte. “Het moet geen trieste foto zijn, maar wel een beladen foto.” Het resultaat is een indringend portret dat Kesteleyn kwetsbaar en sterk tegelijk toont. Robin de Puy wint er de Nationale Portret Prijs 2013 mee. In een interview vertelde An-Sofie Kesteleyn dat hoewel ze net slecht nieuws had gekregen, ze zich tijdens de shoot op haar gemak voelde bij De Puy. En, misschien wel het belangrijkste: “ik vertrouwde haar”.


Robin de Puy (1986), Randy, 2015, Ely, Nevada, pigmentdruk, collectie Kunstmuseum Den Haag.

Wanneer de Robin de Puy vrij werk maakt, kan zij zelf kiezen wie ze portretteert. Vaak zijn dat mensen die niet per se voldoen aan het schoonheidsideaal, maar waarin zij iets bijzonders ziet, iets dat ze vast wil leggen. Daarmee zegt zo’n portret zeker ook iets over haarzelf. In de documentaire Ik ben het allemaal zelf die regisseur Simone de Vries over De Puy maakt tijdens haar motorreis door de VS in 2015, zegt zij: “Er is altijd een discussie over wat een goed portret is. Een goed portret zou heel goed laten zien wie de geportretteerde is. Maar volgens mij is dat helemaal niet zo. Volgens mij zie je wie de fotograaf is. Uiteindelijk zie je in al mijn beelden meer wie ik ben.” Tijdens deze reis door de VS fotografeert ze ook Randy, een 15-jarige jongen die eigenlijk veel jonger lijkt, in Ely in Nevada. Van alle mensen die ze tijdens haar roadtrip ontmoet blijft hij haar het meest bij. In 2016 en 2017 zoekt ze hem opnieuw op en bouwt een hechte band met hem op. De honderden foto’s die De Puy uiteindelijk van hem maakt bewijzen dat hij zich op z’n gemak voelt in de aanwezigheid van de fotograaf en haar camera. “Dat iemand zich op zijn of haar gemak voelt bij me, vind ik belangrijk en is denk ik noodzakelijk voor een goed portret. Althans, bij mij dan. Er zijn natuurlijk ook fotografen die de ongemakkelijkheid juist gebruiken.”


Koos Breukel (1962), John Kraaijkamp sr., 2004, gelatinezilverdruk, collectie Kunstmuseum Den Haag.

Een van de fotografen die deze ongemakkelijkheid niet uit de weg gaat is Koos Breukel.

“Het idee dat mensen op hun gemak moeten zijn voor een foto is echt totale flauwekul” aldus Breukel in een documentaire van Fotomuseum Den Haag, gemaakt ter gelegenheid van zijn overzichtstentoonstelling Me We – The Circle of Life in 2013. Desondanks zijn het geen meedogenloze foto’s die hij maakt, maar onbevooroordeelde portretten zonder opsmuk die recht doen aan het individu, de sporen van diens leven en bovenal aan de waardigheid van de persoon. In het portret van John Kraaijkamp sr. uit 2004 zien we een vermoeide blik op het gelaat van de acteur die bij het grote publiek vooral bekend is als komiek. Kraaijkamp voelt zich niet zo goed tijdens deze portretsessie; een paar dagen later wordt hij met hartklachten in het ziekenhuis opgenomen. Desondanks is het geen foto die medelijden opwekt, maar een indringend portret van een gelouterd, veelzijdig acteur die zowel uitblonk in komische rollen als zichzelf bewezen heeft in het spelen van serieuze, meeslepende karakters in stukken van Shakespeare en de film De aanslag.


Koos Breukel (1962), Gerard Fieret., 2005, gelatinezilverdruk, collectie Kunstmuseum Den Haag.

“Als iemand binnen komt begin ik al met kijken” vertelt Breukel die de laatste jaren vooral vanuit zijn studio aan huis werkt. “Ik weet eigenlijk nooit van te voren wat nou een goed portret oplevert. Het is telkens weer een onderzoek wat opnieuw begint, ik probeer altijd weer blanco met iemand aan de slag te gaan”. Wanneer conservator Willemijn van der Zwaan met Koos Breukel spreekt over zijn foto’s in de collectie van Kunstmuseum Den Haag en hem vraagt naar zijn favorieten verwijst hij naar de foto van Gerard Fieret uit 2005, die hij in een van de kantoren van Fotomuseum Den Haag maakte. Zijn collega-fotograaf is hier volledig onherkenbaar door de baret voor zijn gezicht. “Hij heeft het zelf helemaal geregisseerd” legt Breukel uit. Door Fieret zijn gang te laten gaan en de regie helemaal uit handen te geven geeft Breukel blijk van respect voor hem. “Eigenlijk is het een zelfportret van Fieret”.

Deze mini-tentoonstelling is samengesteld door Astrid Hulsmann.