Wibbina-Stichting

Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ontstonden in families in de hogere middenklasse fraaie privéverzamelingen uit liefde voor de kunst. De collectie van de familie Van der Meulen is daar een mooi voorbeeld van. Pater familias Johannes, arts, had al een Goya in zijn huiskamer hangen en een schilderij van Bart van der Leck in zijn spreekkamer voordat hij in 1896 begon aan de kunstcursussen van toenmalig ‘kunstpaus’ Hendricus Bremmer (1871-1956).

Bremmers lessen Practische Aesthetica boden een nieuwe kijk op kunst, en daar hadden de professoren en industriëlen, artsen en advocaten, die tijdens hun reizen door Europa toonzalen en musea bezochten, veel behoefte aan. Want wat ze daar zagen, was vrij onbegrijpelijk in de toenmalige kijk op kunst. Een landschap hoorde natuurgetrouw te zijn, maar een landschap van Van Gogh was dat bepaald niet, en in een portret van Picasso was gelijkenis ver te zoeken. Een kubistisch stilleven toonde ook al geen overeenkomst met de werkelijkheid. Volgens Bremmer deed de voorstelling er dan ook niet toe. Als een werk je maar wist te raken. ‘Frapper, frapper toujours,’ hield hij zijn cursisten voor.

Een goede kunstenaar kreeg dat voor elkaar door ‘de eenheid’ van zijn werk. Contrast, kleur, compositie, materiaal, alles droeg daaraan bij, legde hij uit terwijl hij achter elkaar werken van Cornelis Troost, Charley Toorop en Gino Severini op zijn tafelezel zette. Wat de kunstenaar had gevoeld, gedacht en bedoeld –Bremmer wist het. Als hij zei: ‘Dit werk maakt me blij,’ dan keken zij, zagen het en voelden het ook.

En kochten het dan vaak. Zo ontstond de ‘Bremmeriaanse’ Wibbina Collectie - genoemd naar Johannes’ jongste dochter, ondergebracht in de Wibbina Stichting en door zijn jongste zoon in 1970 in eeuwigdurend bruikleen nagelaten aan het Kunstmuseum.

 

Bekijk alles onder Wibbina-Stichting